Valide CSS!

Henk van de Linde - Reünisten Vereniging Vuurleidingsmonteurs en Wapenelektronicamonteurs der KM

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Henk van de Linde

Nostalgie > Nostalgie van Leden > Brieven

Katteker (Katwijker)                                                 

De Hollandsche visservloot werd gecontroleerd en beschermd door een afdeling van de Marine de z, g, Visserijinspectie.
Hiertoe was een speciaal fregat in gebruik,dat ter herkenning, op de zijkant van de brug een geel/wit geblokte  puntvlag voerde. De bemanning van het fregat bestond uit 80 man en dat betekende dat je voor jezelf niet te veel ruimte aan boord had. Voor in de boeg waren twee slaapcompartimenten van elk ongeveer 30 slaapplaatsen in driehoge stapelbedden. Het gaf aan hoe haringen, die door de vissersschepen werden gevangen, zich moesten voelen in een harington. Ik sliep in het voorste compartiment in de boeg,direct links naast de deur en in de onderste kooi.
Als luxe hadden we een langwerpige kast van 1.80 m en 40 centimeter breed;met een hang en leg-gedeelte.
Heel´doordacht´ hadden de Amerikanen, die deze schepen bouwden in het kader van de Marshallhulp, de toiletten en de douche in het achterschip gepland en je moest door nòg een (meurend) slaapverblijf via het cafetaria en een gang naar achteren om jezelf toonbaar te maken.
Dat gaf een grappig effect ,want degenen die in het cafetaria aan het ontbijt zaten zagen ongewassen ongeschoren, chagrijnige koppen naar achteren gaan en in tegenovergestelde richting gingen opgewekte schoongewassen en geschoren kerels weer naar terug hun slaapverblijf,om de natte handdoek ’ergens’ op te hangen om te drogen. Er waren 6 wasbassins van ongeveer 45 cm rond van roestvrijstaal waar 60 man zich elke dag moesten wassen en scheren. (officieren en onderofficieren hadden aparte wasgelegenheden,
verschil moet er zijn!!)
Voorts hadden we de beschikking over 6 w.c,s de douche mocht niet gebruikt worden i.v.m. de beperkte hoeveelheid water die het schip kon meenemen. Op het halfdek waren de verblijven van de officieren en onderofficieren. Verder waren op het hoofddek de cafetaria, de kombuis, de ziekenboeg, de werkplaats en de bottelarij ondergebracht. Waarbij het cafetaria ook dienst deed als bioscoop. Ik was in Leiden opgeleid tot filmoperateur van 35 en 16 mm filmprojectoren.( wat mij later nog goed van pas kwam.) Het e.e.a. had voor het voordeel dat ik geen wacht hoefde te lopen.

Als ’Oorlogsschip’ moesten we natuurlijk ook met de wapens oefenen.
Er werd met de 40 mm geschoten op een doel, b.v. een kratje ,ook het 7,6 mm kanon moest af en toe afgeschoten worden,waarbij de geschutsbemanning belachelijke asbest kappen over hun hoofd moesten dragen…..maar het leukste was het lanceren van een dieptebom…!


Dieptebom

                            
Het schip voer met een bepaalde snelheid, en vanuit de zij van het schip werd dan een dieptebom afgeschoten. Eerst een paar seconden niets .. en dan een witte bult in het water en vervolgens een fontein van wel 40 meter hoog,gelukkig voeren we tegen de wind in.
Als bijkomend effect kreeg je dan dat er een heleboel vis boven kwam drijven. Vlug ging de bemanning van de rubberboot het verdoofde zeebanket opvissen.
En des,avonds aten we verse kabeljauw ,wijting en nog meer van dit zeebanket….lekkerder kan je vis niet eten!!


Vis verzamelen en schoonmaken


De marine zorgde er ook voor dat ik een opleiding kreeg  als Wapen Elektronicamonteur en ik zat 9 maanden op school in Fort Erfprins in het z. g. zeefront.
Bij de marine was je nergens zeker van,voor de marine was het dus´ logisch´ dat ik in de elektromonteurswacht werd ingedeeld en kon ik,volgens de marine, wel van de twee dubbelloops 40 mm mitrailleurs,de z.g. ”Hedgehog” en het 7.6 inch kanon, en in mijn ´vrije uren´ de electronica ,amplidynes , tolvizieren en het hydraulische systeem,repareren, controleren, onderhouden en ijken.
Mij maakte het echter niet veel uit ik moest nog maar een jaar mijn dienstplicht vervullen.
Het schip hield zich hoofdzakelijk op, tussen of achter de vissersvloot die bestond uit grote haringloggers.De taak van het schip was het controleren van de verplichte noodinstallaties, en reddingsmiddelen aan boord van de vissersschepen  ook werd de grootte van de mazen van de netten gecontroleerd. Verder hadden we een dokter aan boord die in de ziekenboeg kleine operaties kon uitvoeren.


Hr. Ms. Panter


Meestal lag het hospitaal kerkschip´ de Hoop´ ook in de buurt. Zondags gingen ,bij redelijk weer,de verschillende Godvrezende bemanningen van de loggers met de sloep naar de kerk.Voorwaar een apart gezicht!


Hospitaalschip ‘de Hoop’


We gingen ´met de haring mee´ van het Noorden op de hoogte van Bergen ,Noorwegen, naar als het seizoen afliep, naar Boulogne sur Mer, twee weken op zee, een paar naar Den Helder en dan weer naar zee. In het weekend soms een Engelse, Deense of Duitse haven.
Ook gingen we naar de Faroer of de Shetlandeilanden met de hoofdstad Lerwick waar we Schotse dansen uitprobeerden met de lokale schonen op de zolder van de een of andere kerk uit de middeleeuwen. Met de pastoor of dominee (Vicker waar wij direct een andere uitspraak voor bedachten) als Chaperonne d,amour.

Tijdens èèn van deze reizen kregen we het verzoek van een logger om assistentie, ‘want al het licht en de kracht was uitgevallen’.
Ik had de wacht en kreeg de opdracht om naar de logger te gaan.
Het waaide die dag nogal,met een stevige golfslag, en ik was benieuwd of ik wel op die logger kon komen want, je werd met een rubberboot met roeiers, allemaal dienstplichtige vissers, naar dat schip geroeid, niks buitenboordmotor!
Ik sprong in de rubberboot en kwam, met een tas met gereedschap en meters op mijn nek, met een smak via een visserman en een roeispaan ,die mijn oor er bijna afrukte, goed in de boot terecht.
Op naar de logger die 70 meter verder dwarszee lag te ´halen´ d.w.z. van links naar rechts van bakboord naar stuurboord.
Hij slingerde behoorlijk en de reling stond bijna gelijk aan het wateroppervlak.
De vissers echter verstonden hun vak en wisten het zò uit te kienen dat, als de rubberboot bijna langszij was  de rubberboot op gelijke hoogte met de reling van de logger was .Eén van hen riep ´spring´en ik kwam met een smak op het gladde houten dek terecht. Toen ik opstond en omkeek was de rubberboot alweer ,door een golf ,10 meter bij de logger vandaan gegooid..


Niks buitenboordmotor


Ik liep naar de brug en door de beweging van de logger  leek het net of ik op eèn of ander kermisattribuut liep. Langs een ladder ging ik naar de brug. Toen ik binnen kwam zag ik in het schemerduister van de stuurhut een donkere, harige figuur..de schipper. De schipper zat ingeklemd tussen de zijwand van de stuurhut,een Radarkast en een Deccaontvanger. Hij verwelkomde mij door op zijn Katwijks te zeggen,´Zo,bejje deer joy´.
‘Ja, schipper ik ben door de Hr.Ms.Panter gestuurd om een storing op te lossen’,zei ik. ‘Mooi’,zei de schipper ‘maar moe je ne-eerst effe een kuppie’?? Aangezien ik een goeie bak koffie wel zag zitten zei ik ‘Ja,Graag’. Ik kreeg een beduimelde mok in mijn handen gedrukt en nam gelijk een ferme slok. Ik schrok met te barsten want de mok was niet gevuld met koffie maar met onvervalste Hollandse genever.


de Samenwerking


Ik liet mij niet kennen en dronk het bij stukkies en beetjes op. Dat was zeer naar de zin van de schipper want die riep meteen, ‘Joy we neme d,r nog ien,want op ien bien keje nie lope en den gaan we naar beneje nar de vetput’. (Ik nam aan dat hij daar de machinekamer mee bedoelde!!)
Toen ik na twee mokken genever als een balletje de pikdonkere machinekamer inkwam, begon ik het verblijf op deze logger wel lollig te vinden en giechelde om elke meter die op 0 stond en omdat het met alleen de noodverlichting aan alles er zo gezellig uitzag.!! ´Nou,joy, je red et wel ee’?!´ zei de schipper en liet mij met de machinist van de logger achter in de machine kamer. Links van mij stond èèn van de twee Kromhout hulpmotoren te ronken en rechts van mij was de vochtige koude scheepswand. De andere hulpmotor draaide ook,maar ik kwam tot de ontdekking dat de hoofdschakelaar van deze generator steeds uitviel. (een klusje voor aan de wal)
Voor de rest was het  stikdonker op de kleine noodverlichtingslampen na, die op accu,s werkten. In de staat waar ik mij in bevond, vond ik alles grappig en gezellig! Vraag mij niet hoe ik de storing heb opgelost ,er staat mij iets bij van een accu en een paar kabels en een vlam ,in ieder geval de generator van de hulpmotor kwam weer op spanning en gaf  weer stroom,en kon ik de machinist eens beter bekijken ,die zag er trouwens net zo goor uit als zijn baas de schipper….. Toen ik na een tijdje weer een beetje ontnuchterde en klaar met mijn klus was,wilde ik toch weer terug naar de Hr.Ms.Panter. Helaas maar..die was wegens een noodoproep een z.g. MAY DAY naar een schip in nood onderweg. Dus was ik veroordeeld tot een verblijf op de,heel toepasselijk,´Samenwerking´ KW 144 van Schipper Cor de Vreugd. Twee en een halve dag heb ik op die logger vast gezeten en ik maakte mij nuttig door allerlei elektrische onderhoudklussen en reparaties uit te voeren evenals brood bakken met hier een daar een visschub er in, het bakken van verse vis en het opruimen van het´aanrecht´.
Ik sliep in een,voor mij,ruime kooi met een hoge zijkant waardoor je er niet uit kon vallen en deze kooi had zelfs een kooilampje en was behangen met filmsterren in verschillende ,staat van (ont)kleding. De schipper was wel blij met mij en vond het jammer dat ik weer weg moest en had mij graag nog even aan boord gehouden ’voor de gezelligheid’maar ik had in een kastje in de kombuis nog veel meer genever zien staan!!.En zag mijn geest al dwalen !!! Ik was  blij dat ik weer terug kon.
Via weer zo, n circusnummer met de rubberboot ben ik weer aan boord van de Hr.Ms. Panter gekomen. Ik moest me melden bij de commandant, om rapport uit te brengen van mijn wetenswaardigheden. Tijdens het rapport zei de commandant ineens ´Man wat stink jij ongelofelijk, de rest van het verhaal hoor ik later nog wel,ga je eigen mandieen!’.(wassen) Daarna moest ik ´verplicht´douchen, als enige van de 80 man aan boord stond ik onder een heerlijke warme douche!. Na 25 minuten was ik weer toonbaar en had mijn ´normale´lucht weer om mij heen. De schipper radiotelefoneerde naar de Hr.Ms. Panter met ´Panter bedankt ,en geef die Joy een kuppie van me!!!´


Terug naar de Panter


 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu